mypension.be
U bent hier: Professional De recentste nieuwtjes Wijzigingen werknemerspensioenen vanaf 1 januari 2015
Wijzigingen werknemerspensioenen vanaf 1 januari 2015

Basic info in English
Formulieren
Betaaldatums
mypension.be
Op 1 januari 2015 wijzigden een aantal aspecten van het werknemerspensioen.
We zetten de wijzigingen en hun gevolgen voor u op een rijtje:
  1. Ook de gewerkte maanden van het ingangsjaar tellen mee voor pensioenberekening 
  2. Eenheid van loopbaan: er kan pensioen worden toegekend voor meer dan 45 loopbaanjaren 
  3. Overlevingspensioen en overgangsuitkering 
  4. Werken tijdens het pensioen (toegelaten beroepsactiviteit) 
  5. Hervorming van de pensioenbonus 
  6. Hervorming van het pensioen van grens- en seizoenswerknemers 
  7. Hervorming van het gewaarborgd minimumpensioen


Ook de gewerkte maanden van het ingangsjaar tellen mee voor pensioenberekening

Vroeger telden de laatste maanden die een werknemer in het jaar van zijn pensionering presteerde niet mee voor de berekening van zijn pensioen. Voor de werknemerspensioenen die ingaan vanaf 1 januari 2015 wordt voortaan een pensioenbedrag toegekend voor de kalendermaanden die de maand van ingang van het rustpensioen voorafgaan. Voorwaarde is dat werkelijke, fictieve of forfaitaire lonen geregistreerd zijn in de loop van het kalenderjaar dat aan het ingangsjaar voorafgaat.

Het pensioenbedrag voor het ingangsjaar wordt als volgt berekend:
  1. het loon van het kalenderjaar waarin de werknemer met pensioen gaat is gelijk aan het totaal van de werkelijke, fictieve en forfaitaire lonen van het:

    • voorlaatste kalenderjaar dat voorafgaat aan het ingangsjaar als de beroepsbezigheid tijdens dit referentiejaar gewoonlijk en hoofdzakelijk is;
      of
    • kalenderjaar dat voorafgaat aan het ingangsjaar als de bovenstaande voorwaarde niet is vervuld;

  2. dit loon wordt vermenigvuldigd met een breuk, die als teller het aantal maanden heeft die voorafgaan aan de ingangsmaand van het rustpensioen en als noemer 12.

  3. dit resultaat wordt vervolgens gedeeld door 45 en vermenigvuldigd met 60%.
Meer info over de gewerkte maanden van het ingangsjaar ...

Eenheid van loopbaan: er kan pensioen worden toegekend voor meer dan 45 loopbaanjaren

Het beginsel van de eenheid van loopbaan dat van toepassing is op de pensioenen die zijn ingegaan vóór 1 januari 2015 bepaalt dat maximum 45 loopbaanjaren kunnen meetellen voor het werknemerspensioen. De intensiteit (voltijds, halftijds,...) van de geregistreerde beroepsactiviteit tijdens deze kalenderjaren speelt daarbij geen rol. Als die 45 jaren werden overschreden, dan werden de overtollige jaren die het minst voordelige pensioenbedrag opbrachten uitgesloten van het toegekende rustpensioen.

Voor de pensioenen die ingaan vanaf 1 januari 2015, wordt het maximum van 45 jaar vervangen door 14.040 voltijdse dagequivalenten (VTE). De totale loopbaan die in aanmerking genomen wordt om het werknemerspensioen te berekenen is dus beperkt tot een maximum van 14.040 VTE (wat overeenstemt met 45 loopbaanjaren met 312 VTE), ongeacht het aantal kalenderjaren waarover die 14.040 VTE gespreid zijn.
Anders gezegd: wie gedurende meer dan 45 jaar een werkelijke of gelijkgestelde beroepsbezigheid heeft uitgeoefend met maximum 14.040 werkelijke en gelijkgestelde dagen krijgt een pensioen dat berekend is op basis van de totale beroepsbezigheid.


Voorbeeld:
  • Een persoon is begonnen met werken op 19 jaar en neemt zijn pensioen de maand volgend op zijn 65ste verjaardag (hetzij 1 september 2015). Zijn beroepsbezigheid spreidt zich bijgevolg uit over 47 jaar.

    Laten we veronderstellen dat hij de eerste vier jaren van zijn beroepsbezigheid 156 voltijdse dagequivalenten (VTE) heeft gepresteerd en daarna 312 dagen. Zijn quotum van voltijdse dagequivalenten bedraagt dus 14.040 (hetzij 156 VTE x 4 + 312 VTE x 43).

    • Vóór 1 januari 2015: Enkel de 45 jaren met de gunstigste pensioenopbrengst worden toegekend.
    • Vanaf 1 januari 2015: Het quotum van 14.040 VTE wordt niet overschreden: het rustpensioen wordt berekend op basis van de volledige loopbaan, ook al telt deze 47 kalenderjaren.

    Als de loopbaan meer dan 14.040 VTE telt, worden de dagen die het minst voordelige pensioenbedrag opbrengen verwijderd. Om dit dagelijkse pensioenbedrag te bepalen, wordt het pensioen dat voor elk jaar toegekend wordt gedeeld door het aantal voltijdse dagequivalenten dat voor dat jaar in aanmerking wordt genomen.
     
  • Een persoon, geboren in juni 1950, is aan de slag als werknemer van 1968 tot 1970. Elk jaar telt 104 voltijdse dagen met een pensioenopbrengst van 104 EUR.

    Hij bewijst vervolgens een tewerkstelling van 1971 tot en met het einde van 2014. Elk jaar telt 312 voltijdse dagen met een pensioenopbrengst van 390 EUR en zet zijn beroepsbezigheid verder tot eind juni 2015. Dat komt overeen met 156 VTE met een pensioenopbrengst van 195 EUR.

    Zijn loopbaan telt dus 48 kalenderjaren met in totaal 14.196 voltijdse dagequivalenten.

    Daarom moeten er 156 dagen (= 14.196 -14.040) worden geschrapt.
    De jaren met de minst voordelige pensioenopbrengst worden dus verwijderd;
    • de eerste beroepsjaren (1968, 1969 en 1970 met 1 EUR per dag);
    • het volledige jaar 1968 (104 VTE en 104 EUR);
    • een deel van het jaar 1969 (52 VTE en 52 EUR).
    De RVP houdt dus rekening met 47 loopbaanjaren, ofwel 14.040 VTE.

Beperking van het aantal te verwijderen VTE

  • Bij meer dan 14.040 VTE mag het aantal te verwijderen voltijdse dagequivalenten niet meer bedragen dan:
    • 1.560 VTE voor een rustpensioen;
    • 104 VTE x 1/3 van de noemer van de loopbaanbreuk in geval van een overlevingspensioen.

    Bijvoorbeeld: een loopbaan telt 15.800 VTE. Dat is mogelijk wanneer iemand op zeer jonge leeftijd gestart is of op latere leeftijd doorgaat met werken. De loopbaan telt dus 1.760 VTE meer dan 14.040 VTE. De RVP kent dan een pensioen toe voor 14.240 VTE; er mogen immers niet meer dan 1.560 VTE worden geschrapt.

  • Ook bij een gemengde loopbaan werknemer-ambtenaar wordt vanaf 1 januari 2015 de beperking tot de eenheid uitgevoerd op basis van VTE.

    Een persoon geboren in juni 1950 heeft een eerste baan als werknemer vanaf 1968 tot 1970 (telkens 104 voltijdse dagen met een pensioenopbrengst van 104 EUR) en vervolgens een volgende job als werknemer van 1971 tot en met 1976 (ieder jaar 312 voltijdse dagen met een pensioenopbrengst van 390 EUR).

    Vanaf 1977 was hij voltijds ambtenaar in het normale stelsel (tantième 60) en dit tot en met juni 2015. Zijn ambtenarenpensioen bedraagt 40.000 EUR.

    Het aantal voltijdse dagequivalenten bedraagt 2.184 als werknemer en 12.012 als ambtenaar. De som daarvan is 14.196, 156 dagen meer dan 14.040.

    Er moeten dus in de werknemersregeling 156 dagen worden geschrapt. De jaren met de laagste pensioenopbrengst per dag zijn 1968, 1969 en 1970 (1 EUR per dag). Het gehele jaar 1968 (104 dagen en 104 EUR) en een deel van het jaar 1969 (52 dagen en 52 EUR) worden uit de berekening gehaald.

  • Bij gemengde loopbanen mogen niet meer dan 1.560 VTE als werknemer geschrapt worden.

    Ook hier geldt dat als de gemengde loopbaan in totaal meer dan 14.040 VTE telt, het aantal te verwijderen voltijdse dagequivalenten niet hoger kan zijn:
    • 1.560 VTE voor een rustpensioen;
    • 104 VTE x 1/3 van de noemer van de loopbaanbreuk in geval van een overlevingspensioen.

  • Bovendien wordt het aantal te verwijderen VTE als werknemer beperkt bij structureel lage pensioenen in de ambtenarenregeling.

Meer info over de eenheid van loopbaan...


Overlevingspensioen en overgangsuitkering

Deze aanpassingen gelden enkel voor de echtgenoten van wie de huwelijkspartner overlijdt nà 31 december 2014.

Wie een overlevingspensioen ontvangt op 31 december 2014 behoudt dat pensioen. De hervorming is hier niet van toepassing, zelfs voor wie op die datum de vereiste leeftijd voor het overlevingspensioen (45 jaar) niet bereikt heeft.

Voor een overlijden in december 2014 geldt dus de “oude” wetgeving ook als het overlevingspensioen:
  • pas ingaat in januari 2015 (overlevingspensioen op basis van rustpensioen);
  • pas na 1 januari 2015 aangevraagd wordt.

Voortaan bestaan er 2 uitkeringen ten voordele van de overlevende huwelijkspartner: het overlevingspensioen en de overgangsuitkering.

Het is uitsluitend de leeftijd van de weduwe / weduwnaar op het moment van overlijden van de huwelijkspartner die zal bepalen welke van de 2 uitkeringen toegekend zal worden.

De volgende tabel toont de evolutie van de minimumleeftijd die de langstlevende echtgenoot bereikt moet hebben om aanspraak te maken op een overlevingspensioen.

Het overlijden vindt plaats in Leeftijd die bereikt moet worden
2015 45 jaar
2016 45 jaar en 6 maanden
2017 46 jaar
2018 46 jaar en 6 maanden
2019 47 jaar
2020 47 jaar en 6 maanden
2021 48 jaar
2022 48 jaar en 6 maanden
2023 49 jaar
2024 49 jaar en 6 maanden
2025 50 jaar

De langstlevende echtgenoot die de vereiste leeftijd voor het overlevingspensioen niet bereikt heeft, zal dus de overgangsuitkering ontvangen als ook aan de andere voorwaarden voor deze uitkering voldaan is.

De andere basisprincipes van de overgangsuitkering zijn de volgende:


Toekenning
Net zoals dat ook het geval is bij het overlevingspensioen, moet de langstlevende huwelijkspartner ten minste één jaar gehuwd geweest zijn met de overleden werknemer. Deze voorwaarde is ook vervuld wanneer de onafgebroken en gezamenlijke duur van het huwelijk en de wettelijke samenwoning ten minste één jaar bereikt waarbij het huwelijk onmiddellijk op de wettelijke samenwoning moet volgen.
De voorwaarde van één jaar huwelijk is niet vereist als er een kind is geboren uit het huwelijk of uit de wettelijke samenwoning, of in geval van de geboorte van een kind na het overlijden van de werknemer.


Berekening
Over het algemeen wordt de overgangsuitkering berekend op basis van het totaal van de werkelijke, fictieve en forfaitaire brutolonen van de overleden werknemer, zoals ook het geval is voor het overlevingspensioen.

Als het loon voor een loopbaanjaar van de overleden werknemer, geherwaardeerd op de ingangsdatum van de overgangsuitkering, lager is dan een forfaitair jaarbedrag (17 026,70 EUR), dan wordt de uitkering berekend op basis van dat bedrag voor het betreffende jaar.

De overgangsuitkering is ook onderworpen aan het beginsel van de eenheid van loopbaan. De bepalingen van het gewaarborgd minimumpensioen en het minimumrecht per loopbaanjaar zijn daarentegen niet van toepassing. De overgangsuitkering is net zoals het overlevingspensioen onderworpen aan de fiscale en sociale inhoudingen.


Duur
De overgangsuitkering is van nature tijdelijk en wordt gedurende 12 of 24 maanden uitbetaald. De RVP kent het maximum van 24 maanden toe als de langstlevende huwelijkspartner op het ogenblik van het overlijden een kind ten laste heeft, waarvoor hij kinderbijslag ontvangt. Als een kind geboren is binnen de driehonderd dagen na het overlijden, dan is deze uitkering ook verschuldigd voor een duur van 24 maanden.

De overgangsuitkering kan onbeperkt gecumuleerd worden met:
  • een inkomen uit arbeid;
  • andere socialezekerheidsuitkeringen (vergoedingen wegens ziekte of onvrijwillige werkloosheid, …);
  • een rustpensioen wegens gezondheidsredenen of lichamelijke ongeschiktheid in de openbare sector;
  • een overlevingspensioen op basis van de activiteit van dezelfde overleden werknemer (krachtens een Belgische of buitenlandse wetgeving).

Als hij geen beroepsbezigheid uitoefent of geen vergoedingen wegens ziekte of invaliditeit ontvangt, kan de overlevende huwelijkspartner na afloop van deze overgangsuitkering aanspraak maken op werkloosheidsuitkeringen.

De gerechtigde op een overgangsuitkering kan later ook nog aanspraak maken op een overlevingspensioen wanneer hij:
  • de wettelijke pensioenleeftijd (65 jaar) bereikt;
    of
  • aanspraak kan maken op een vervroegd rustpensioen;
    of
  • een rustpensioen wegens gezondheidsredenen of lichamelijke ongeschiktheid in de openbare sector geniet;
op voorwaarde dat hij niet getrouwd is op de ingangsdatum van dat overlevingspensioen.

Opgelet: net zoals bij het overlevingspensioen kan de overlevende huwelijkspartner geen aanspraak (meer) maken op de overgangsuitkering als hij:
  • hertrouwt;
    of
  • onwaardig is bevonden om te erven als gevolg van strafbare feiten die gepleegd zijn tegenover de overleden echtgenoot.


Aanvraag
Net zoals bij het overlevingspensioen, onderzoekt de RVP automatisch het recht op de overgangsuitkering als de overleden huwelijkspartner:
  • een rustpensioen ontving;
  • zijn pensioen al had aangevraagd en die aanvraag al in behandeling was.

In alle andere gevallen is een aanvraag noodzakelijk.

Als de aanvraag is ingediend binnen de 12 maanden die volgen op het overlijden, zal de uitkering ingaan op de 1e dag van de maand:
  • van het overlijden als de overleden echtgenoot nog geen rustpensioen genoot;
  • die volgt op het overlijden als de overleden echtgenoot al een rustpensioen genoot.

Als de uitkering buiten deze termijn wordt aangevraagd, is ze enkel verschuldigd als de langstlevende huwelijkspartner een uitkering met een duur van 24 maanden zou kunnen bekomen,

De duur van de uitkering is in dit geval dan gelijk aan:
24 maanden – het aantal maanden dat is verstreken tussen de maand:
  • van het overlijden (als de overleden echtgenoot geen rustpensioen genoot);
    of
  • volgend op het overlijden (als de echtgenoot een rustpensioen ontving of er één aangevraagd had);
en de maand die volgt op die van de aanvraag.


Voorbeeld
Een werknemer, die nog geen rustpensioen ontving, overlijdt op 3 februari 2015. Zijn weduwe is jonger dan 45 jaar op de datum van overlijden en heeft een kind ten laste. Op 15 maart 2016 vraagt ze een overgangsuitkering aan, dus na de termijn van 12 maanden die volgt op het overlijden (de termijn van 12 maanden verstrijkt op 3 februari 2016).
In principe kan zij aanspraak maken op een overgangsuitkering met een duur van 24 maanden omdat ze een kind ten laste heeft. Doordat ze de aanvraag te laat indiende, wordt van die 24 maanden het aantal maanden afgetrokken dat is verstreken tussen:
  • 1 februari 2015: de datum waarop de overgangsuitkering had moeten ingaan als de aanvraag zou ingediend zijn vóór 4 februari 2016. Dit stemt overeen met de 1e dag van de maand van het overlijden aangezien de overleden werknemer bij zijn overlijden geen rustpensioen ontving
    en
  • 1 april 2016: de datum waarop de overgangsuitkering daadwerkelijk ingaat aangezien de aanvraag is ingediend na de termijn van 12 maanden die volgt op het overlijden.
Het gaat dus om 14 maanden. De weduwe zal dus vanaf 1 april 2016 een overgangsuitkering ontvangen voor een duur van 10 maanden.
 
Meer info over het overlevingspensioen en overgangsuitkering ...

Werken tijdens het pensioen (toegelaten beroepsactiviteit)

De cumulatie van een pensioen met beroepsinkomsten is toegelaten mits het naleven van volgende voorwaarden.

Grensbedragen voor de beroepsinkomsten van 2015 (deze bedragen werden gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad).


Grenzen van de toegelaten inkomsten voor personen jonger dan 65 jaar:
Voorwaarden Kinderlast Niet te overschrijden jaarbedrag per type van activiteit
werknemer, ambt of mandaat zelfstandige of gemengd (werknemer en zelfstandige)
A. Vóór de wettelijke leeftijd Neen 7.793,00 EUR 6.234,00 EUR
Ja 11.689,00 EUR 9.351,00 EUR
B. Jonger dan 65 jaar met alleen overlevingspensioen Neen 18.144,00 EUR 14.515,00 EUR
Ja 22.680,00 EUR 18.144,00 EUR
C. Vanaf de wettelijke pensioenleeftijd Neen 22.509,00 EUR 18.007,00 EUR
Ja 27.379,00 EUR 21.903,00 EUR

Als deze grensbedragen worden overschreden zal het pensioen verminderd worden in verhouding tot het percentage van de overschrijding (overschrijding van 10% = 10% vermindering).

Als de echtgenoot van een gerechtigde met een gezinspensioen de bovenstaande grensbedragen echter niet naleeft, wordt, al naargelang het geval, in punten A of C, het gezinspensioen teruggebracht tot een pensioen als alleenstaande.

De onterecht ontvangen pensioenbedragen zullen worden teruggevorderd.

De gepensioneerde moet geen rekening houden met de begrenzing van de beroepsinkomsten:

  • vanaf 1 januari van het jaar waarin hij 65 jaar wordt. 

  • vanaf het toekennen van zijn eerste rustpensioen, op voorwaarde dat hij minstens 45 jaar lang gewerkt heeft (als werknemer, zelfstandige, ambtenaar, …). In elk jaar moet hij minstens 104 voltijdse dagequivalenten gewerkt hebben, met uitzondering van bepaalde geregulariseerde jaren en de studiejaren.

Meer info over het werken tijdens het pensioen (toegelaten beroepsactiviteit) ...

Hervorming van de pensioenbonus

Voor de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ingaan na 1 december 2014, wordt de bonus enkel toegekend op basis van de huidige regels aan werknemers die vóór 1 december 2014:
  • voldeden aan de voorwaarden om het vervroegd rustpensioen als werknemer op te nemen,
    of
  • de leeftijd van 65 jaar bereikten en een loopbaan bewijzen van ten minste 40 kalenderjaren met minstens 104 voltijdse dagequivalenten (VTE) elk, met uitzondering van bepaalde geregulariseerde jaren en de studiejaren.

Meer info over de hervorming van de pensioenbonus ...

Hervorming van het pensioen van grens- en seizoenswerknemers

Enkel de werknemers die vóór 1 januari 2015 als grens- of seizoenswerknemer aan de slag waren, kunnen hierna nog aanspraak maken op een aanvulling op het rustpensioen ten laste van een Belgisch pensioenstelsel. Die aanvulling geldt voor de bezigheid als grens- of seizoenswerknemer voorafgaand aan 1 januari 2015, eventueel aangevuld met de gepresteerde beroepsbezigheid in deze hoedanigheid na 31 december 2014.

De toekennings- en berekeningsregels van de aanvulling zijn niet gewijzigd voor de personen die:
  • vóór 1 december 2015 de leeftijd van 65 jaar bereiken;
    of
  • voldoen aan de leeftijds- en loopbaanvoorwaarden om hun vervroegd Belgisch pensioen te verkrijgen.


Voor de personen die niet aan bovenstaande voorwaarden voldoen, verandert het volgende:

  • Het recht op de aanvulling op het rustpensioen als grens- of seizoenswerknemer gaat slechts vanaf de ingangsdatum van het buitenlandse wettelijk pensioen, dat toegekend werd voor dezelfde activiteit.
    Ook is deze aanvulling op het rustpensioen slechts betaalbaar als dit buitenlandse pensioen daadwerkelijk betaalbaar is.

  • Wie verzaakt aan het wettelijk pensioen dat toegekend werd volgens de wetgeving van het land van tewerkstelling, verzaakt automatisch aan de aanvulling op het rustpensioen als grens- of seizoenswerknemer.

  • Bij het bepalen van de uit te keren aanvulling wordt rekening gehouden met alle Belgische en buitenlandse:
    • wettelijke pensioenen (wat hun aard ook is, rust- of overleving)
    • pensioenuitkeringen bedoeld om deze wettelijke pensioenen aan te vullen.

Meer info over de hervorming van het pensioen van grens- en seizoenswerknemers ...

Hervorming van het gewaarborgd minimumpensioen

Ter herinnering: om een pensioen te kunnen optrekken tot het gewaarborgde minimum voor een voltijdse werknemer moet de gepresteerde loopbaan hetzij als werknemer, hetzij als werknemer en zelfstandige ten minste 2/3 van een volledige loopbaan bereiken. Om te bepalen of die voorwaarde is vervuld, wordt rekening gehouden met elk loopbaanjaar als werknemer dat ten minste 208 voltijdse dagequivalenten (VTE) telt.

Er bestaat ook een gewaarborgd minimumpensioen voor deeltijdse werknemers. Daarbij wordt, om te bepalen of de 2/3 voorwaarde is vervuld, rekening gehouden met elke loopbaanjaar dat ten minste 156 VTE telt.

Twee wijzigingen voor de pensioenen die ingaan vanaf 1 januari 2015:

  • De voorwaarde voor de opening van het recht op het minimumpensioen voor een voltijdse of deeltijdse werknemer wordt onderzocht op basis van het totaal van de gepresteerde loopbaan als werknemer en zelfstandige vóór toepassing van de (interne en externe) beperking tot de eenheid van loopbaan. Zo kan, om te bepalen of deze voorwaarde is vervuld, de loopbaan als werknemer niet verminderd worden vanwege de loopbaan gepresteerd in andere stelsels (behorend bij PDOS, DIBISS, …). Dit principe wordt ook toegepast voor het pensioen als zelfstandige.

  • Als voldaan is aan de voorwaarde om het gewaarborgd minimum voor een voltijdse werknemer te verlenen, wordt bij de berekening van het gewaarborgd minimumpensioen slechts rekening worden gehouden met jaren die ten minste 52 VTE tellen.

    Voorbeeld:
    Een werknemer, geboren in mei 1952, was zijn volledige beroepsloopbaan aan de slag als werknemer. Deze verliep als volgt:
    • 50 VTE van 1969 tot 1971;
    • 280 VTE van 1972 tot 1980;
    • 312 VTE van 1981 tot 2014;
    • 104 VTE in 2015.

    Ofwel een loopbaan van 47 jaar (waarvan 43 jaar ten minste 208 VTE bevatten) ter waarde van 13.382 VTE.

    Hij voldoet dus aan de voorwaarden om aanspraak te maken op een gewaarborgd minimumpensioen voor een voltijdse werknemer (ten minste 30 jaren met 208 VTE)

    Het jaarlijks basisbedrag voor een gewaarborgd minimumpensioen gebaseerd op een volledige loopbaan als alleenstaande bedraagt 13.480,03 EUR (index 136,09).

    Als gevolg van deze hervorming maakt hij aanspraak op een uitkering van 13.480,03 EUR X (47-3) / 45 = 13.180,47 EUR.

Meer info over de hervorming van het gewaarborgd minimumpensioen ...




  Sitemap
Laatste wijziging 06/05/2015