Deeltijds werknemer met behoud van rechten
Het statuut van deeltijds werknemer met behoud van rechten werd ingevoerd met ingang van 01.06.1993.
Dit statuut garandeert het recht op volledige werkloosheidsuitkeringen als de werknemer die een deeltijdse job heeft aanvaard vanuit werkloosheid of vanuit een voltijdse betrekking, opnieuw werkloos zou worden.
Voor meer uitleg over het statuut zelf en de voorwaarden ervan kunt u terecht bij de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (RVA).
Wij onderscheiden voor het pensioen twee categorieën deeltijdse werknemers met behoud van rechten:
Deeltijds werknemer met behoud van rechten MET een inkomensgarantie-uitkering (MIGU)
Deze werknemers krijgen, naast hun loon, een uitkering van de RVA. Om deze uitkering te kunnen ontvangen, moeten een aantal voorwaarden vervuld zijn: het gemiddelde aantal gepresteerde uren, het gemiddelde bruto maandinkomen en het gemiddelde netto maandinkomen mogen bepaalde grenzen niet overschrijden.
Deze niet-gepresteerde periodes worden volledig opgenomen in de werknemersloopbaan, zonder beperking in de tijd.
Voor deze periodes berekenen we de gepresteerde dagen op het (deeltijdse) werkelijke loon en vullen we het jaar aan met gelijkgestelde dagen MIGU.
Voorbeeld:
In 2009 heeft de toekomstig gepensioneerde 1.317 uur gewerkt. Een voltijdse tewerkstelling bedraagt 1.976 uur.
De individuele rekening vermeldt daarenboven 260 dagen met behoud van rechten met een inkomensgarantie-uitkering.
Het aantal gewerkte dagen wordt samengedrukt tot:
312 x 1.317 / 1.976 = 208 dagen
Het jaar wordt aangevuld met 104 gelijkgestelde dagen MIGU.
Het jaar 2009 is dus een volledig jaar (312 dagen) voor de pensioenberekening
De pensioenopbrengst van een kalenderjaar met dagen MIGU mag niet hoger zijn dan de pensioenopbrengst van het vorige jaar.
Deeltijds werknemer met behoud van rechten ZONDER een inkomensgarantie-uitkering (ZIGU)
Deze werknemer ontvangt, naast het loon, geen bijkomende uitkering van de RVA omdat het gemiddeld aantal gepresteerde uren, het gemiddelde bruto maandinkomen of het gemiddelde netto inkomen bepaalde grenzen overschrijdt.
Voor meer informatie hierover kunt u terecht bij de RVA.
Deze niet-gepresteerde periodes worden opgenomen in de werknemersloopbaan tot maximum 1.560 dagen.
Opgelet: in bepaalde gevallen is er geen beperking tot 1.560 dagen voor oudere werknemers.
Voorbeeld:
Een werknemer heeft het statuut van deeltijds werknemer met behoud van rechten zonder inkomensgarantie-uitkering vanaf 1996. Voordien was hij volledig werkloos.
Hij heeft in 1996 een tewerkstelling van 1.290 uur. Een voltijdse tewerkstelling is 1 976 uur.
Het aantal gewerkte dagen wordt samengedrukt tot:
312 x 1.290 / 1.976 = 204 dagen
Vanaf 1996 worden (312 - 204 =) 108 dagen ZIGU gelijkgesteld tot het maximum van 1.560 dagen bereikt is:
Van 1996 tot en met 2009 betekent dit 14 (jaar) x 108 = 1.512 gelijkgestelde dagen ZIGU.
In het jaar 2010 kunnen we nog maximaal 1.560 - 1.512 = 48 dagen gelijkstellen.
In de daaropvolgende jaren zal er geen gelijkstelling ZIGU meer zijn.
De pensioenopbrengst van een kalenderjaar met dagen ZIGU mag niet hoger zijn dan de pensioenopbrengst van het vorige jaar.